TMI Blog

‘’We zijn niet allemaal verantwoordelijk dat er gepest wordt, maar wel dat het stopt.’’

Vandaag start door heel het land de jaarlijkse week tegen pesten. Hoewel veel mensen ‘klassiek’ pesten al kennen, is cyberpesten nog grijs gebied. ‘’De onzichtbaarheid maakt het makkelijk om een onverantwoorde of schadelijke actie te rationaliseren.’’

De afgelopen jaren zijn er veel programma’s ontstaan die scholen kunnen helpen met pesten op school. Wat nieuw op de markt is, is online lastigvallen. Dit kan een stuk verder gaan dan het pesten zoals veel mensen het kennen. Cyberpesten kan, net zoals in het echt pesten, zowel fysiek als mentaal effect hebben. Hoofdpijn, buikpijn, een humeur en angstaanvallen zijn allerlei dingen waarmee leerlingen te maken kunnen krijgen. Een week toegewijd tegen (online) pesten lijkt daarom nog steeds noodzakelijk. Dit jaar is het motto van de inclusieve week ‘Samen aan zet’. Hiermee wil de beweging duidelijk maken dat je alleen in teamverband pesten tegen kan gaan. Op de website vertellen zij:  ‘’Door samen normen te stellen krijgt de groep weer structuur en heerst er stabiliteit en emotionele rust in de klas.’’

Nieuwe vormen

Iedereen kan wel een vorm van pesten opnoemen.  Met de komst van het internet zijn er echter nieuwe vormen van pesten ontstaan. Neem als voorbeeld de meest voorkomende vorm van cyberpesten: laster. Dat zijn kwetsende teksten op sociale media, of het verspreiden van foto’s en filmpjes met als doel om iemand door het slijk te halen. Andere manieren van cyberpesten zijn buitensluiten, belachelijk maken, te kijk zetten en bedreigen. Hoewel iedereen pesten anders kan ervaren, valt niet alles onder die term. Op het internet gebeuren veel kwetsende dingen, maar er is pas sprake van cyberpesten als het gebeurt door iemand die je kent, er een machtsonevenwicht is en het meerdere keren gebeurt. 

Een ander groeiend probleem is de ongewenste verspreiding van naaktfoto’s of video’s. Iets meer dan een week geleden publiceerde EenVandaag dit artikel over de verspreiding van gevoelig beeldmateriaal. Daaruit blijkt: ‘’Ruim de helft (55%) van de middelbare scholieren geeft aan dat bij hen op school wel eens zo’n foto of filmpje in omloop is geweest.’’ In vergelijking met een aantal jaar is hier een groot verschil in te zien. Bij de jongeren die niet meer op middelbare scholen zitten deden dergelijke filmpjes een stuk minder de ronde (38%). Uit het onderzoek: ‘’Hoewel jongens en meiden ongeveer even vaak naakt selfies maken, zijn het meestal die van de meiden die uitlekken.’’ Het vermoeden hiervoor is dat jongens deze beelden delen als bijvoorbeeld de relatie over is.

Drijfveer


Er is nog geen uitgebreid onderzoek gedaan naar wat cyberpesten zo ‘aantrekkelijk’ maakt voor jongeren. Toch zijn er veel websites en instellingen die hun vermoedens hebben. Een term die vaak voorbij komt is de anonimiteit en het gevoel onzichtbaar te zijn doordat een andere identiteit aangenomen kan worden. Nancy Willard, bekend auteur, beschrijft dit fenomeen als ‘disinhibition’. Vrij vertaald: ‘ontremmend’. Door het feit dat je niet met het oordeel van anderen geconfronteerd wordt, zou men veel meer durven. 

Een ander element dat het cyberpesten zo makkelijk zou maken, is de toegankelijkheid van de technologische middelen. Als je iemand fysiek wil pesten moet je de persoon opzoeken en een geschikt moment afwachten. Met cyberpesten kan je onmiddellijk naar het middel grijpen en direct een bericht schrijven. De snelle toegankelijkheid van deze middelen zorgt ervoor dat jongeren vaak niet nadenken als ze starten met cyberpesten. 

Een andere reden van een groei in cyberpesten schijnt te zijn dat er weinig tot nooit wordt ingegrepen. De onzichtbaarheid maakt het makkelijk om een onverantwoorde of schadelijke actie te rationaliseren. Een mogelijke bedreiging van straf zal bij het cyberpesten praktisch geen invloed hebben. Bij het cyberpesten blijft het bij psychologisch pesten en dat is simpelweg minder zichtbaar. 

Communicatie


De aanpak tegen cyberpesten vraagt, volgens het Nederlands Jeugd Instituut (NJI), niet per se om nieuwe methoden. Het belangrijkste blijkt, voor zover duidelijk, om zowel met de groep, het slachtoffer en de dader erover te praten. 

NJI: ‘’Confronteer degene die pest met zijn of haar gedrag. Straffen is daarin niet de beste aanpak, want dat kan de indruk wekken dat de pester alleen wordt aangesproken omdat hij of zij niet slim genoeg te werk ging.’’ Aangeraden wordt om de pester inzicht te geven wat zijn of haar gedrag doet binnen de groep. Vaak zijn pesters vooral bezig met hun eigen status en hebben ze niet door wat de gevolgen van hun gedrag kunnen zijn. ‘’Bevraag degene die pest op zijn of haar gedrag, vraag naar het waarom van het gedrag. Dit geeft inzicht in de drijfveren erachter en kan handreikingen bieden voor een duurzame oplossing.’’

‘’Pesten vindt vaak plaats binnen een groep. In een groep waarin een meerderheid laat weten pestgedrag niet te accepteren en de kant van het slachtoffer kiest, stopt het pesten. Daarom is het belangrijk om de groepsdynamiek helder te hebben en, wanneer nodig, die te bespreken.’’ Het wordt aangeraden om binnen een groep afspraken te maken over wat wel en niet door de beugel kan. Daarmee kan je voorkomen dat sommige jongeren niet in durven te grijpen. Een bekende methode die gebruikt kan worden is KiVa. Zoals het mooi op het NJI staat: ‘’We zijn er niet allemaal verantwoordelijk voor dat er gepest wordt, maar we zijn er wel allemaal verantwoordelijk voor dat het pesten stopt.’’

Doelgroepen


Een artikel van BNR meldt het volgende: ‘’Volgens Marjolijn Bonthuis van veilig-internet.nl worden meiden meer sociaal gepest en zijn ze gevoeliger voor pesten dan jongens, 'dus voelen ze zich eerder slachtoffer'.’’ Meiden voelen zich niet alleen sneller gepest, dat is ook daadwerkelijk het geval. Uit een enquête van het CBS, afgenomen onder ruim 140.000 jongeren, blijkt dat meiden ongeveer tweemaal zo vaak te maken krijgen met cyberpesten. Uit diezelfde vragenlijst bleek dat ruim tweeduizend participanten te maken hadden met een seksueel getint incident. 5600 deelnemers hadden dat met een niet seksueel getint incident. Seksueel getinte incidenten kwamen aanzienlijk vaker voor bij meisjes (2,8 procent) dan bij jongens (0,5 procent).

Van de jongeren die te maken kregen met online incidenten voelde bijna de helft na het laatste incident de emotionele gevolgen. Zij dachten er regelmatig aan terug, sliepen er slecht van of waren er erg boos over. Desondanks gaf bijna de helft van de slachtoffers aan dat ze het incident weliswaar als verkeerd zagen, maar niet als een misdrijf.  Een luttele 4,1 procent vond het incident wel een misdrijf. Volgens het CBS melden de meeste slachtoffer cyberpesten niet terwijl het in sommige gevallen, zoals bij bedreiging, strafbaar is. 

Op het internet is tot op heden een groot grijs gebied waarin onduidelijk is wat wel en niet mag. Hierdoor lijkt het minder lonend om aangifte te doen van een bepaalde zaak. Er wordt altijd geadviseerd om alle incidenten die je meemaakt de documenteren. Hierdoor is er meer bewijs voor de politie om mee te werken. Via www.vraaghetdepolitie.nl is te lezen wat verder gedaan kan worden tegen cyberpesten. 

Wil je meer kennis van Mediawijsheid?

Bekijk TMI's aanbod